“IK KWAM THUIS MET EEN SCHOTWOND IN MIJN ZIJ”.
Ik kwam thuis met een schotwond in mijn zij. Ik weet nog hoe ik dacht aan alle andere keren dat ik in het donker thuis kwam, maar dan znder schotwond. Hoe ik mijn fiets meenam aan mijn hand, door de gang en de keuken, en parkeerde tegen de schutting rond het binnenplaatsje. Daar keek ik dan even naar de sterren en daarna naar het slaapkamerraam, controleren of je sliep of misschien je licht nog aan had en Oprah keek of een boek las.
Dan liep ik terug naar binnen, deed ik de tussendeur op slot, hing ik mijn jas aan een van de haakjes, ging ik de trap op en liet ik mijn spullen achter in de werkkamer. Dan deed ik mijn schoenen uit en begaf ik me voorzichtig naar de zolder om me op welke manier dan ook bij jou te voegen.
Dit keer ging het anders. Ik werd gebracht met een taxi en ik was later, veel later dan beloofd, maar daar kon ik niets aan doen, het kwam door mijn wond. Ik mocht niet klagen, want de zuster had gezegd dat er niets aan de hand was, dat ik geluk had gehad. Dat was ook de reden waarom ik die nacht nog naar huis kon, al wankelde ik op mijn benen en balanceerde ik tussen pijn/alertheid enerzijds en uitputting/suffigheid anderzijds. Mijn gevoel van aanwezig zijn in deze wereld bestond slechts in de achtergrond.
Ik liet de sterrenhemel voor wat hij was en wierp zelfs geen blik op het dakraam van de zolder, omdat ik wist dat jij zou slapen, want het was al bijna ochtend en ik had niet gebeld. Ik zette die nacht geen voet op de binnenplaats, maar hield wel even stil bij de keukendeur, kneep mijn ogen dicht en probeerde goed in en uit te ademen en te ontspannen, omdat ik bang was dat ik anders onderuit zou gaan.
En daar verscheen hij weer voor mijn geestesoog, eerst als haast onzichtbaar figuur, rustig wachtend om de hoek van het gebouw met iets hoekigs in zijn jaszak, daarna als plotseling dynamisch en gevaarlijk schepsel, dat mij weldra zou toespreken en vervolgens zonder medelijden verwonden, om tenslotte geruisloos te verdwijnen, zonder spoor achter te laten, behalve mij, een bloedende schrijver.
Ik kwam thuis met een schotwond in mijn zij en ik dacht terug aan die keer dat ik thuis kwam zonder schotwond in mijn zij, nog maar een dag of wat geleden, en ik ineens dacht: wat als ik thuis zou komen met een schotwond in mijn zij? Ik dacht het letterlijk, het woord schotwond. Wat als ik hier zou staan, op krachten te komen tegen de keukendeur. Wat als ik naar mijn reflectie keek in het ruitje van de magnetron en mijn gezichtspieren zag samentrekken van een plots opkomende pijnscheut, ondanks de pijnstillers en ondanks dat de zuster had gezegd: Je hebt geluk gehad, het mensenlichaam is niet gemaakt om doorboord te worden.
Het zou een schampschot zijn geweest, ze hadden de wond gedesinfecteerd en verbonden en ik had een schoon ziekenhuishemd gekregen. Mijn jas had meer schade opgelopen dan ik, maar mijn jas had geen pijn. Zo zou het gegaan zijn. Zo zou ik uitleggen waarom ik met wond en al weer thuis kwam, nog diezelfde nacht.
Na mijn ingeving was ik naar boven gelopen, had ik jou een kusje gegeven, meegekeken naar Oprah, een uitzending met grappige filmpjes van hondjes, en daarna was ik naar de werkkamer gegaan en had ik mijn idee, dat tegelijk mijn titel en mijn beginzin was, op het grote whiteboard geschreven.
Het was een idee uit nood geboren, omdat ik dringend iets leuks nodig had om voor te lezen, in de bibliotheek in Dordrecht. Iets grappigs, iets slims, iets met een kop en een staart. Mijn idee kwam voort uit een andere keer dat ik moest voorlezen, op een festival in Middelburg. Ik had daar een stuk uit mijn nieuwste roman voorgedragen, Sneeuwdorp, dat ging over de onthulling van een monument, een sneeuwmonument om precies te zijn. Pas op het podium merkte ik dat mijn verhaal voor het grootste deel bestond uit de monoloog van een ambtenaar, een ambtenaar op een podium. Als vanzelf stak ik mijn wijsvinger in de lucht en verdraaide ik mijn stem. Ik besefte: ik bn die ambtenaar.
Toen ik later piekerde over het bibliotheekverhaal dacht ik ineens: op het podium las ik over een man op het podium. Dat kan preciezer. Perfecter. Weet je wat, in de Dordtse bibliotheek lees ik over een man in de Dordtse bibliotheek. Maar ik was nog niet uitgepiekerd, want de vragen wlke man en wat zegt hij in de bieb waren nu ontstaan. Ik zocht mijn geheugen af naar verhalen over bibliotheken en kwam niet verder dan dat ik er vroeger wel eens was geweest.
Voor de bezoekers van de bieb was het kortom maar goed dat ik ineens de ingeving had van de schotwond in mijn zij, al had ik dat, ineengekrompen in de keuken, moederziel alleen, liever teruggedraaid. Het was een sequentie van ideen en gebeurtenissen die nu, met die verrekte, stekende pijn in mijn zij, volkomen irrelevant, zelfs volkomen ongrijpbaar leek. Het kwam niet in me op om te schelden op mezelf, ik wilde alleen dat de pijn zou stoppen, ik wilde alleen op de grond gaan liggen en slapen.
Ik kwam thuis met een schotwond in mijn zij en besloot naar boven te klimmen, op weg naar de onvermijdelijke ontknoping, waarbij het me speet dat nog steeds op het whiteboard in de werkkamer Ik kwam thuis met een schotwond in mijn zij stond geschreven, en terwijl ik formuleerde wat ik jou zou vertellen, vatte ik al mijn chaotische gedachten samen in een onbeantwoordbare vraag: hoe had ik kunnen weten dat iemand daadwerkelijk, uitgerust met een pistool, mij in de regen, om de hoek van de Dordtse bibliotheek, na afloop van het optreden, zou opwachten, en roepen, Schotwond? Ik zie geen schotwond in je zij, en daar vervolgens iets aan te doen, puur en alleen omdat ik nog maar een uur eerder precies dt idee had geopperd in die verdomde bibliotheek?